Ga naar de startpagina

Het laatste nieuwsGa naar de verslagenBekijk de komende evenementen in de kalenderGa naar de uitslagenGa naar het discussie forumTrainings tipsLinks naar andere pagina'sMeest gestelde vragen

Nieuws actueel
9 dec 2018
Wereldrecord Camille Herron 24 uur
25 nov 2018
Verslagje 3 Bruggen Ultra
22 nov 2018
“Over 5 jaar loop ik de Spartathlon”
14 nov 2018
Blaauwbekmarathon 2-2-2019 met permanent marathon parcours
Nieuws in 2018
* December
* 9 dec 2018: Wereldrecord Camille Herron 24 uur
* November
* Oktober
* September
* Augustus
* Juli
* Juni
* Mei
* April
* Maart
* Februari
* Januari
Nieuws in 2017
Nieuws in 2016
Nieuws in 2015
Nieuws in 2014
Nieuws in 2013
Nieuws in 2012
Nieuws in 2011
Nieuws in 2010
Nieuws in 2009
Nieuws in 2008
Nieuws in 2007
Nieuws in 2006
Nieuws in 2005
Nieuws in 2004
Nieuws in 2003
Nieuws in 2002
Nieuws in 2001
Nieuws in 2000
Nieuws in 1999
AltaVista
Zoek:
Discussies
Het web


 
NIEUWS van Augustus 2006
 
Runner’s World, februari 2005, pag. 30 – 34.

De diesels van de loopsport

Tekst: Peter Klooster

Ultralopen is niet alleen het stiefkindje van de loopsport, maar ook van de media. Runner’s World laat vijf ambassadeurs van de extreme duurloop uitleggen waarom dat niet terecht is.

‘Er is méér dan de marathon!’


Plaats van handeling is het restaurant van Luigi Simbula in Hulshorst, bij Harderwijk. Onder het genot van een hapje en een drankje praten de gastheer, Ria Buiten, Veron Lust, Joke Keuning en Marc Papanikitas over hun grote passie. De vijf (vier Nederlanders en de Belg Papanikitas) behaalden allemaal al één of meerdere nationale titels op de 100 kilometer.

– Waarom hebben jullie ooit gekozen voor de ultralange afstand?
VERON LUST: ‘Daar heb ik een heel simpele verklaring voor. Ik heb er moeite mee dat in onze maatschappij alles zo is dichtgeregeld en urenlang hardlopen is voor mij de bevrijdende tegenhanger. Ik heb een eigen bedrijf, waardoor ik mijn eigen tijd kan indelen. Ik pak een rugzakje, steek wat geld bij me en trek de wijde wereld in, op zoek naar avontuur. Vooraf weet ik nooit waar ik heen ga.’

RIA BUITEN (productiemedewerkster in een aardappelgroothandel): ‘Dat herken ik wel. Ik ben dol op de vrije natuur en al hardlopend heb ik Nederland ontdekt. Elke zaterdag ga ik van huis voor een duurloop van een uur of zeven. Ik neem een radiootje mee, een treinkaartje, wat geld en iets te drinken. Al lopend kom ik tot rust. Ik kom altijd leuke dingen tegen onderweg, zoals leuke winkeltjes of een rommelmarkt. Soms eet ik ergens wat en dan loop ik weer door. Ik vind het een kick dat ik dat allemaal op eigen kracht doe, zonder hulpmiddelen. Maar als ik ver van huis ben geraakt, laat ik me ook weleens door familie ophalen.’

JOKE KEUNING (beeldend kunstenaar): ‘Ik kijk onderweg altijd naar dingen die me inspireren om te schilderen. Net als Veron en Ria beschouw ik zo’n lange duurloop niet als training, maar gewoon als een dagje uit. Ik ga vroeg van huis, als iedereen nog op één oor ligt. Dan geniet ik dubbel, bijvoorbeeld als ik langs de haven van Scheveningen loop en daar net een vissersboot uitvaart. Vervolgens loop ik een stuk langs het strand en even later pik ik een terrasje voor koffie met appelgebak. Ik ben dol op dat zwerven en houd heel erg van stilte en eenzaamheid. Ik wil geen mier in een mierenhoop zijn.’

Een reünie
MARC PAPANIKITAS (werkzaam in het onderwijs), lachend: ‘Al die filosofische gedachten heb ik niet, hoor. Ik loop echt niet om naar de eekhoorntjes te kijken. Ik train hard en geconcentreerd, omdat ik het leuk vind om een 100 kilometer zo snel mogelijk af te leggen. Als ik geen succes zou hebben en niet in Runner’s World zou komen, zou ik subiet stoppen. De mythe die rond het ultralopen hangt, is er een van geitenwollensokkenbreiers. Maar onze sport wordt nooit volwassen als er geen aansprekende prestaties worden neergezet.’

– Geitenwollensokkenbreiers? Wat zijn ultralopers eigenlijk voor types?
PAPANIKITAS: ‘Wat ultralopers kenmerkt, is hun sociale inslag. En het onderlinge respect is groot. Dat is echt zo. Wedstrijden zijn als een reünie, waar iedereen even met elkaar bijpraat.’
LUIGI SIMBULA: ‘Dat komt omdat we een kleine gemeenschap vormen, waarin iedereen elkaar kent. Een grote familie eigenlijk. Je kunt ons vergelijken met tienkampers, de outsiders van de baanatletiek. Ook die vormen een heel hechte club.’
PAPANIKITAS: ‘Maar wij staan er tijdens de wedstrijd helemaal alleen voor. Ultralopers beschikken zonder uitzondering over een sterk karakter. Dat is nodig om de eindeloze trainingen en de eenzame wedstrijden aan te kunnen. Die eigenschap heb je bij je geboorte meegekregen.’
SIMBULA: ‘Ben ik helemaal met je eens. Ik heb goed contact met de Italiaanse ultrabondscoach, die struint marathonwedstrijden af op zoek naar subtoppers. Die kan hij ombouwen tot ultratoppers, mits ze voldoende karakter hebben. Hij probeert vooral een inschatting te maken van hun pijntolerantie. Want de laatste 30 kilometer op de 100 doet pijn, pijn, pijn. Je hele lijf en al je organen schreeuwen om rust. Op een gegeven moment doet zelfs ademhalen pijn. Als je dat niet kunt verdragen, word je nooit een goede ultraloper.’

BUITEN: ‘Mensen denken altijd dat we van die loopverslaafden zijn, maar dat geldt absoluut niet voor mij. Als ik niet meer zou kunnen lopen, dan ging ik fietsen of schilderen. En als het mooi weer is, kan ik makkelijk een training overslaan om naar het strand te gaan.’

Perfecte uitlaatklep
LUST: ‘Maar ik ken toch ook wel de nodige ultralopers die psychisch in de knoop zitten. Ik heb zelf ook het nodige meegemaakt. Het ultralopen bleek een perfecte uitlaatklep. Onder ultralopers zit echt van alles, van levensgenieter tot dwangneuroot tot einzelgänger. Tot die laatste categorie reken ik mezelf een beetje. Dat kan ook haast niet anders, als je zoals ik met je rugzakje van huis gaat voor een zwerftocht van 75 kilometer. Ik train zelfs weleens ’s nachts.’
– Hoe verklaren jullie dat er zo weinig aandacht is voor jullie prestaties?
LUST: ‘Dat is niet zo moeilijk te verklaren. Buitenstaanders kunnen gewoon niet inschatten hoe hard je loopt op een 100 kilometer. Ik leg uit dat het tempo op de 100 kilometer tussen de 13 en 15 kilometer per uur ligt. Hoeveel dagen doe je erover, is dan de domme volgende vraag. Of ze vragen: wanneer moet je dan eten? Ik eet niet, ik drink onderweg! Ik zou het haast van de daken willen schreeuwen: er is méér dan de marathon! Maar in de beleving van journalisten en televisiekijkers is iets niet leuk als het niet snel gaat.’
SIMBULA: ‘Weet je wat jammer is? Dat marathontoppers nooit een uitstapje wagen naar de 100 kilometer. Dat zou goed zijn voor onze sport, maar er valt niks voor ze te verdienen.’

LUST: ‘Wat mij verbaast, is dat die ultraloop van Cor Westhuis van Lissabon naar Moskou over 5100 kilometer zoveel publiciteit kreeg. Als het maar extremer is dan extreem, dan is er opeens wél media-aandacht. Televisiepresentator Mart Smeets was diep onder de indruk. Maar wat Marc presteert op de 100 kilometer, is echt veel zeldzamer. En daar hoor of lees je niets over. Op die manier leert de grote massa nooit de kwaliteit van ultralopers herkennen.’
PAPANIKITAS: ‘In België zegt men: Marc, als jij voetballer was geweest, had je schatten verdiend. En als ze dan eens komen filmen bij een ultraloop, schieten ze die zot met koehoorns op het hoofd! Dat is omdat een topprestatie in het ultralopen letterlijk niet te filmen is. Een leek heeft geen idee hoe krankzinnig hard het gaat.’

Dagelijks een marathon
– Hoeveel kilometers maken jullie per week?
BUITEN: ‘Op dit moment maak ik trainingsweken met een maximale omvang van 150 kilometer. Straks voer ik dat op tot 200 kilometer. Meer heb ik niet nodig om in wedstrijden goed mee te kunnen draaien.’
KEUNING: ‘Dat haal ik niet, hoor. Ik maak een omvang van 80 tot 90 kilometer per week. Als ik meer train, herstel ik niet meer. Mijn maximum ligt op 100 kilometer.’
SIMBULA: ‘Ik maak een rekensommetje. Op dit moment ben ik tien kilo te zwaar. Als ik me ga voorbereiden op een loop, bereken ik hoeveel calorieën ik moet verbranden om op wedstrijdgewicht te komen. In die periode loop ik soms dagelijks een marathon om het gewenste effect te halen. Ik heb vijftien jaar ervaring, dus ik weet precies hoe ik dit moet doen zonder geblesseerd te raken. Maar ik zou niemand aanraden mijn methode te imiteren, want dan gebeuren er misschien ongelukken.’
LUST: ‘Ik loop niet zoveel wedstrijden, misschien drie of vier per jaar. Zes weken van tevoren ga ik echt kilometers maken. Ik train op gevoel. De ene week kom ik tot 100 kilometer, de andere week is het 250. Ik zorg op tijd voor voldoende rust, omdat ik nog lang mee wil. Voorlopig wil ik geen wedstrijden lopen van meer dan 100 kilometer, omdat ik weet dat ik mijn grenzen nog niet heb bereikt.’

– Lukt het om ultralopen te combineren met gezin en werk?
PAPANIKITAS: ‘Ik moet echt heel erg veel doen om in topvorm te geraken, zowel wedstrijden als trainingen. Ik heb net een nieuwe functie in het onderwijs en de combinatie met ultralopen vreet echt tijd. Ik kon gelukkig een tijd vrijaf krijgen in de aanloop naar de World Cup in september in Winschoten. In de weekends daaraan voorafgaand liep ik marathons. Na afloop van het seizoen voelde ik dat ik lichamelijk en geestelijk flink had moeten inboeten. Daarom stop ik tegenwoordig iets vroeger met werken. Verder heb ik het geluk dat mijn vrouw heel sportminded is en me volledig steunt. Ons leven staat eigenlijk in het teken van mijn lopen. Voor ons huwelijk heb ik tegen mijn vrouw gezegd dat het lopen voor mij onverminderd belangrijk blijft.’
– Zijn jullie vaak geblesseerd?
BUITEN: ‘Ik ben nog nooit geblesseerd geweest.’ Lachend: ‘Blijkbaar heb ik niet hard genoeg getraind.’
LUST: ‘Als ik geblesseerd raak, komt dat niet door het ultralopen, maar door snelheidswerk. Laatst had ik een paar Kenianen te logeren. Die beginnen heel langzaam, wat me erg verbaasde. Maar de grap is dat die gasten steeds harder gaan. We stoven met 20 kilometer per uur terug naar huis. Heb ik mooi een liesblessure aan overgehouden. Ultralopen gaat met een lage intensiteit en dat geeft nooit problemen. De enige fout die ik weleens maak, is dat ik te lang doorloop op oude schoenen, omdat ze zo lekker zitten.’

Beginneling
PAPANIKITAS: ‘Ik ben nu achttien jaar bezig en heb in 2003 pas mijn eerste blessure opgelopen. Een rechtstreeks gevolg van mijn drieste pogingen om aan de ultratop te geraken. Ik wilde bijvoorbeeld overal winnen en trainde zowel omvang als snelheid. Mijn arts zei: hoe lang loop je nu al, je lijkt wel een beginneling. Tegenwoordig laat ik het snelheidselement in de training achterwege.’
KEUNING: ‘Ik ben op dit moment geblesseerd aan mijn kuit. Blessures komen ook bij mij altijd door snelheidswerk. Ik maak wel de fout dat ik te weinig herstel na een wedstrijd en te snel tempo’s wil doen op de baan. Maar aan die lange afstanden houd ik nooit blessures over.’
– Is het urenlange, eenzame trainen niet geestdodend?
LUST: ‘Nee, hoor, mijn geest blijft echt wel actief. Ten eerste moet ik zorgen dat ik niet verdwaal, maar op een gegeven moment moet ik ook knokken tegen de pijn die komt opzetten.’
KEUNING: ‘Soms kom ik op een punt dat ik niet meer weet hoe ik daar gekomen ben. Dan ben ik echt even helemaal van de wereld geweest. Het eerste uur moet ik hard werken, daarna raak ik in een roes en ben ik hele stukken kwijt.’
SIMBULA: ‘Dat heb ik nou ook! Ik heb echt ruimtereizen gemaakt tijdens mijn trainingen, figuurlijk dan. Het lopen moet geen lichamelijke arbeid zijn. Als het vanzelf gaat, ontstaat er iets als een mantra in 12 kilometer per uur. Ik concentreer me op mijn ademhaling en schakel het hier en nu uit. Dat wegraken zoek ik bewust op.’
PAPANIKITAS (lachend): ‘Mag ik die pillen van jou eens lenen? Ik benader het denk ik wetenschappelijker. In het park loop ik een vaste ronde, waar kilometeraanduidingen staan. Ik weet welke tussentijden ik moet lopen op elk punt en als dat niet lukt, is er iets fout. Mijn wedstrijdplanning is helemaal vervat in dat schema. Goed trainen is op het juiste moment de juiste training doen. Maar let wel: ook ik ben vrij. Vrij om mijn schema aan te passen als ik merk dat het op een bepaalde dag niet haalbaar is.’

Relativeren
LUST: ‘Ik herken veel van wat Marc zegt, want zo was ik vroeger ook. Tot ik merkte dat ik juist door wat meer ontspanning beter ging lopen. Ik ben benieuwd hoe lang Marc het volhoudt voor hij het ontspanningselement toelaat in zijn benadering.’
PAPANIKITAS: ‘Ik kan heus wel relativeren, hoor. Afwijken van het schema zonder jezelf te benadelen, dat is waar het om gaat. Of ik van het lopen geniet? Ik krijg er een kick van als ik weer eens in de krant sta en vind het tof als ik van mijn sponsor weer nieuwe schoenen krijg. Maar mijn lichaam heeft de sport niet nodig. Als ik morgen een zware blessure oploop waardoor ik niet meer kan sporten, dan stop ik. Dan ga ik op een ander terrein hard werken om iets te bereiken. Dat zit in mijn persoonlijkheid.’
– Op wat voor manier heeft ultralopen jullie leven verrijkt?
SIMBULA: ‘Ik vind veel dingen leuk, maar niets heeft me zoveel gebracht als ultralopen. Het is een mogelijkheid tot ontsnappen, waar ik me fysiek fantastisch bij voel.’
BUITEN: ‘Wat ik een groot voordeel vind, is dat je niet om de lijn hoeft te denken. Ik hoef geen lekkere dingen te laten staan.’
PAPANIKITAS: ‘Ik ben van de zomer in een park in elkaar geslagen. Het was daarna fantastisch om te merken dat ik van alle kanten steunbetuigingen kreeg, ook uit het buitenland. Die zou ik nooit hebben gekregen van gewone atleten. Ultralopers kraken je ook nooit af bij een tegenvallende prestatie. Dat geeft een rijk gevoel.’

Heilzame rust
LUST: ‘Ik kom uit de baanatletiek, maar ik kan zonder overdrijven zeggen dat het ultralopen me heeft gemaakt tot wie ik ben. Ik heb de hele wereld rondgereisd, heb meegedaan aan de WK voor veteranen in Taiwan. Wat ik nooit zal vergeten, is het gevoel van vriendschap na afloop, met bier bij het zwembad. Veel maatschappelijke problemen zouden worden opgelost als mensen zouden lopen. Ik ben door het lopen overtuigd geraakt dat er geen God bestaat. Jij bent er en je moet het allemaal zelf doen. Na de finish is er de totale, heilzame rust.’
– Tijd voor een anekdote.
BUITEN: ‘Op de avond voor de Spartathlon had ik de wekker om drie uur ’s nachts gezet. De start was om vijf uur, bij ultralopen start je altijd extreem vroeg. Toen de wekker ging, heb ik gedoucht en mijn tas gepakt. Om er vervolgens tot mijn stomme verbazing achter te komen dat het pas elf uur in de avond was. Ik had me volslagen in de tijd vergist, haha.’
KEUNING: ‘Ik heb ooit een bizar kampioenschap meegemaakt in Slovenië, ten tijde van de Balkanoorlog. We arriveerden bij ons pension met een luxe touringcar en op weg naar de start kwamen we door straatarme dorpjes waar de varkens op straat liepen. Zestig kilometer verderop werd op dat moment op leven en dood gevochten. Plotseling besefte ik dat ik met iets heel mafs bezig was. ’s Avonds kwam er een accordeonist zoete Kroatische en Sloveense liedjes zingen op het terras waar wij zaten te eten. Terwijl je weet dat ze elkaar even verderop afslachten. Heel bizar.’
PAPANIKITAS: ‘Mijn probleem is dat ik na een wedstrijd altijd moet braken. Ik werd na een huldiging eens geïnterviewd, toen mijn maag echt begon te draaien. Ik waarschuwde die journalist nog dat hij achteruit moest gaan. Hij bleef maar doorzagen. Ik zal niet in details treden, maar hij vloekte knallend toen ik plots begon te spugen. Ze hebben me er ooit een medicijn tegen gegeven, maar niets helpt.’

– Zouden jullie anderen aanraden om een ultraloop te proberen?
BUITEN: ‘Niet direct. Je moet er heel veel voor doen en laten. Lopen gaat bij mij altijd voor, ik ga zelfs hardlopend naar een verjaardag toe. Je moet mentaal echt heel erg sterk zijn en dat is niet voor iedereen weggelegd.’
SIMBULA: ‘Ik zou niet iedereen aanraden ooit een 100 kilometer te lopen, dat is echt zo verschrikkelijk ver. Na afloop ben ik helemaal kapot. Ik zeg weleens tegen mijn vrouw: het is net een bevalling. Na afloop ben je zo gelukkig dat je de pijn vergeet. En dat maakt dat je een volgende keer weer probeert je grenzen te verleggen.’

Spaarpot
PAPANIKITAS: ‘Ik wil waarschuwen voor zelfoverschatting. Ik heb echt een hekel aan mensen die na een weddenschap een marathon of zelfs een 100 kilometer gaan lopen. Dat is dom, dat moet je echt niet zomaar wagen. Het principe is als met een spaarpot. Je moet er eerst voldoende in doen, voordat je er meerwaarde uit kunt halen. Niet iedereen kan de discipline opbrengen om genoeg te sparen voor een topprestatie.’

Met medewerking van Ysbrand Visser

Bij het artikel was op elke bladzij een los kader geplaatst, en die vijf kaders behandelden verschillende aspecten van het ultralopen. Hier staan ze onder elkaar, als toegift.

Wat is een ultraloop?
Ultralopen zijn wedstrijden over afstanden langer dan de marathon. Officiële kampioenschapsafstanden zijn de 100 kilometer en de 24 uur. Maar er worden ook regelmatig ultralopen georganiseerd over 50 kilometer, 50 mijl, 100 mijl, 6 uur, 12 uur, 48 uur of 6 dagen. Sommigen doorkruisen hardlopend zelfs hele continenten. Het talent van ultralopers schuilt niet in hun snelheid, maar in de zeldzame combinatie van een extreem uithoudingsvermogen, een sterk gestel en een grote mentale weerbaarheid.

Trainen
Er is niet veel verschil in het trainen voor de marathon of voor een ultraloop. In beide gevallen ligt de nadruk op vergroting van het uithoudingsvermogen. Het verschil is dat ultralopers meer ‘trage’ kilometers maken dan marathonlopers. Het tempo voor een 100 kilometer bedraagt ongeveer 80 procent van het marathontempo. De fictieve tijd op een 100 kilometer kan grofweg worden berekend door het persoonlijk record op de marathon met drie te vermenigvuldigen.

De superster
De Australiër Yiannis Kouros (48) is de superster van de ultralange afstand. Tal van wereldrecords staan op zijn naam. Begin 2002 won de geboren Griek de 100 mijl (160 kilometer) van Taupo in Nieuw-Zeeland, een wedstrijd die van oorsprong een estafetteloop is. Met zijn tijd van 12.35, waarmee Kouros het soloklassement won, bleef hij maar liefst 290 van de 308 gestarte viermansploegen voor! Aan de finish moest hij meer dan vier uur wachten om zijn eerste ‘achtervolger’ te kunnen begroeten.

Geboren langeafstandsloper
In een publicatie in het blad Nature (november 2004) betogen de bioloog Dennis Bramble en de antropoloog Daniel Lieberman dat de mens zich evolutionair heeft ontwikkeld tot de beste duuratleet onder de primaten. Hoewel we op de sprint niet veel voorstellen – we zijn tenslotte tweevoeters – kennen we op de ultralange afstanden onze gelijke niet. Zo kunnen goedgetrainde lopers op den duur zelfs paarden verslaan. Dat hoeft een aap niet te proberen.
Dat de mens gemaakt is voor het leveren van duurprestaties, blijkt ook uit het energieverbruik. Opmerkelijk genoeg is de curve van het menselijk energieverbruik bij het leveren van duurinspanningen tamelijk vlak. Bij andere zoogdieren verloopt de grafiek veel steiler naarmate de inspanning langer duurt.
Om hun theorie te ondersteunen, wijzen Bramble en Lieberman ook op de ideale lichaamsbouw: de mens heeft een lange lichaamsvorm, een ‘los’ hoofd met lange nekspieren ( belangrijk voor de balans), brede schouders, een ruime borstkas, lange benen, korte tenen, lange achillespezen, korte onderarmen en krachtige bilspieren. Ook het vermogen om te zweten en af te koelen door een haarloos vel, is een unieke menselijke eigenschappen.
De twee wetenschappers kunnen hun theorie niet met bewijzen staven – spieren en pezen vergaan immers – maar zoeken een verklaring in het ontbreken van natuurlijke wapens als krachtige kaken en klauwen bij mensachtigen. Zo bleek een groot uithoudingsvermogen een geducht wapen in de jacht op prooien met een geringer duurvermogen. Het is bekend dat aboriginals in Australië kangoeroes vingen door er simpelweg urenlang achteraan te rennen. Uiteindelijk viel de opgejaagde kangoeroe dodelijk vermoeid neer, terwijl de jager nauwelijks buiten adem was.

Sneller dan een paard
Een paar jaar geleden versloeg de Amerikaanse ultraloper Tom Johnson de Arabische hengst Al Baraaq in een race over 80 kilometer door de woestijn van Abu Dhabi. Amazone Jennifer Nice had grote bewondering voor de prestatie van Johnson: ‘We zijn op een eerlijke manier verslagen. Ik heb Al Baraaq tot het uiterste gedreven, maar we konden de loper niet bijhouden.’ In het nadeel van Al Baraaq was dat hij tweemaal veertig minuten moest rusten. Deze tijd had hij nodig om te eten en te drinken. Wat de overwinning van de loper op het paard opmerkelijk maakte, is dat het hier een speciaal op uithoudingsvermogen getrainde en gefokte volbloed betrof.

© Runner’s World / WP Sport Media

Dankwoord Martien Baars. Runner’s World en Peter Klooster verleenden toestemming om het artikel uit Runner’s World van februari 2005 (pag. 30 t/m 34) hier eenmalig op UltraNed te mogen reproduceren. 

 
[ top pagina ] - [ Kalender info ] - [1-2-3 Uitslagen ]