Ga naar de startpagina

Het laatste nieuwsGa naar de verslagenBekijk de komende evenementen in de kalenderGa naar de uitslagenGa naar het discussie forumTrainings tipsLinks naar andere pagina'sMeest gestelde vragen

Verslagen actueel
2 sep 2019
De Grand Raid: een serieuze uitdaging
17 aug 2019
Een geweldige etappeloop: de Holland Ultra Tour
13 aug 2019
Holland Ultra Tour, oftewel: uit in eigen land
1 jul 2019
Alvi Ultra Trail 2019
Verslagen in 2019
* September
* 2 sep 2019: De Grand Raid: een serieuze uitdaging
* Augustus
* Juli
* Juni
* Mei
* April
* Maart
Verslagen in 2018
Verslagen in 2017
Verslagen in 2016
Verslagen in 2015
Verslagen in 2014
Verslagen in 2013
Verslagen in 2012
Verslagen in 2011
Verslagen in 2010
Verslagen in 2009
Verslagen in 2008
Verslagen in 2007
Verslagen in 2006
Verslagen in 2005
Verslagen in 2004
Verslagen in 2003
Verslagen in 2002
Verslagen in 2001
Verslagen in 2000
Verslagen in 1999
AltaVista
Zoek:
Discussies
Het web


 
VERSLAGEN van September 2014
 
De Run in Winschoten is de hoogmis. Mijn hoogmis. Voor het vijfde jaar op rij stond ik er afgelopen weekend aan de start. Er was geen twijfel mogelijk of ik dit jaar weer zou afreizen naar het noorden van het land om deel te nemen aan de oudste ultraloop van Nederland. Ik wilde mijn Nederlandse titel verdedigen. Een bijna onmogelijke opgave. Ik had de titel vorig jaar als kers op de taart gekregen na mijn mooiste zomer ooit. Niet verdient vanwege doldwaze trainingsinspanningen, een regelmatig leven of een anderszins gezonde levensstijl. Ik had er uitgerust aan de start gestaan. Onbevangen en zonder verwachtingen. Er waren geen zenuwen geweest en het was rustig tussen de oren tijdens de wedstrijd. Door deze ontspanning en wellicht ook door verliefdheid werd ik met relatief gemak naar het tweede deel van de race gestuwd. Tijdens die laatste rondes realiseerde ik me dat er veel mogelijk was. Het was een mannelijk gevecht geweest, de laatste kilometers voor de finish. Man tegen man tegen Robert Boersma, en strijd die ik nooit zal vergeten. Ik kreeg die dag alles: een Zeeuws record, een tijd onder de acht uur en de nationale titel. Ik ben tot op de dag van vandaag dankbaar dat het me is overkomen.

Dit jaar was het anders. Ik wilde het ook niet laten aankomen op een toevalstreffer – zo voelt het nog steeds – zoals afgelopen jaar. Er moest getraind worden. Niet in de laatste plaats omdat ik bang was om beschouwd te worden als een eendagsvlieg. Lopen doe ik niet alleen voor mezelf, maar uiteraard ook voor sociale waardering. Ik wil simpelweg niet vergeten worden als ultraloper. Ik trainde er geen heel jaar voor. Ik moet eerlijk bekennen dat ik na die tweede zaterdag van september van afgelopen jaar ook even heb genoten van wat me was overkomen. Ik heb er nooit mee gekoketteerd, maar je mag toch ook even genieten als je een succes hebt geboekt? Waarom gaan zoveel atleten na het bereiken van bepaalde doelstellingen altijd meteen door met trainen en het vaststellen van nieuwe doelen? Ik begrijp dat eerlijk gezegd niet. Ik handel er ook dan niet naar en loop bij tijd en wijle zonder enig doel. Voor velen zal dat klinken als een vacuüm, maar ik houd mijn loopleven leuk door niet altijd toe te leven naar een nieuwe wedstrijd. Lopen is bijzaak. Overdag wordt eenieder geleefd door werk of studie, en sommigen laten zich de overige tijd ook nog geleefd worden, door jaar in jaar uit met trainingsschema’s te werken. Respect voor diegenen die dat willen, maar ik kom ook nog wel eens graag op een feestje.

De voorbereiding op de wedstrijd begon dit jaar betrekkelijk vroeg. In juni testte ik in Amersfoort voor het eerst de vorm, na een periode van fysiek kwakkelen. Het voorjaar was door fysiek tobben min of meer uitgedraaid op een mislukking. Ik had veel getraind op snelheid en verbeterde mijn tijden op zowel de 1000 meter als de 10 kilometer, maar tijdens de marathon van Zeeuws-Vlaanderen gaf ik niet thuis. Het was geen grote ramp, maar ik had me er meer bij voorgesteld. De weken na de marathon werd ik geteisterd door verkoudheid. Iedere ochtend leek het of mijn longen onder water stonden. Het was mijn eigen schuld dat ik niet snel herstelde: een verhuizing, werk en studie combineren met een rijk sociaal leven is op termijn niet te handhaven als de weerstand het laat afweten. Ik wilde geen concessies doen met als gevolg dat de verkoudheid bleef. De ongemakken duurden lang en weerhielden me om een serieuze poging te doen om onder de 3 uur en 20 minuten te lopen op de vijftig kilometer. Het voorjaar werd al met al geen doorslaand succes op loopgebied.

Half juni was ik in staat om de trainingen weer helemaal op te pakken. Zoals gezegd liep ik in Amersfoort een marathon en twee weken later waagde ik me aan de Zes uur van Den Haag. Het viel niet mee, maar ik wist dat het te wijten was aan een slechte dag. De eerste stappen richting Winschoten waren gezet. Juli en augustus waren de maanden waarin het werk moest worden verzet. Ik krijg soms de vraag hoe ik dan train en daar wil ik best wat over vertellen. Laat ik eerst opmerken dat ik min of meer zonder trainer werk. Sommigen zullen dat onbegrijpelijk vinden. Maar ik vind het prettig en luister vooral naar m’n eigen lichaam. Concreet gezegd houdt dat dus in dat ik een dag oversla met trainen als ik me beroerd voel na een lange duurloop – in plaats van doortrainen omdat het moet van de trainer of het trainingsschema. De weg naar Winschoten ving half juli ongeveer aan. Ik heb mijn leven er niet op afgestemd, maar was mentaal wel veel bezig met de race. Ik trainde zoals voor veel race vooral alleen, maar soms ook samen.

Ik probeerde twee keer per week een lange duurloop te doen. Begin augustus deed ik mijn langste training van een kleine vijf uur lopen. De weken daarna deed ik duurlopen die varieerden tussen de twee tot drieënhalf à vier uur. Uit pure nostalgie liep ik afgelopen zomer het liefst naar Leiden. Ik woon sinds kort in Den Haag, maar mis soms de prettige sfeer van Leiden. Een prima oplossing was om er gewoon naartoe te lopen, wat ik dan ook regelmatig deed. De duurlopen gingen dikwijls gewoon over het asfalt maar voor een deel ook over het strand. Het uitgangsprincipe dat ik hanteerde was de marathon. Ik moet met speels gemak de marathonafstand kunnen afleggen tijdens een training. De praktijk was overigens dikwijls zwaarder dan de theorie. Dit principe hanteer ik bijna altijd voor een ultraloop. Ik had in dit geval nog een keer 60 kilometer willen trainen, maar dat kwam er helaas niet van. Ik raak overigens nooit in paniek als zoiets dan niet lukt; de basis is er toch wel. Zo’n drie weken voor de wedstrijd begon ik af te bouwen. Dat wil zeggen dat de duurlopen korter werden.

In tegenstelling tot veel andere ultra-atleten tracht ik elke week een snelheidstraining te doen. Afgelopen zomer deed ik dat vooral door op donderdag deel te nemen aan een circuit van wedstrijden van vier kilometer op het strand van Noordwijk. Daarnaast deed ik zelfstandig nog wat snelheidstrainingen. Last but not least waren er uitlooptrainingen. Sommigen zullen dat vreemd vinden, maar dat zijn gewoon aanmoddertrainingen van maximaal 40 tot 50 minuten. Soms met een klein versnellinkje, maar vooral om het idee te hebben dat er die dag ook weer is gelopen. Deze trainingen deed ik meestal een dag na een lange duurloop.

Dan nog iets over trainen en voorbereiden in het algemeen. Voorbereidingen neem ik serieus op mijn eigen manier. Nogmaals: geen schema en geen trainer, maar gewoon op eigen gevoel. Daarnaast eet en drink ik betrekkelijk normaal, hoewel wel wat meer vanwege de lange trainingen. Een van de meest vervelende zaken van mijn hobby vind ik het feit dat ik afval. Gedurende zware trainingsweken lukt het gewoon niet om voldoende te eten. En dat zie je: ik val wat af. Tot slot nog wat over het leven in het algemeen: ik pas me zo min mogelijk aan. Het lukt me gewoon niet om als een monnik te leven. Om het plezier van de voorbereiding te behouden is het af en toe ook goed om simpelweg thuis te blijven of wat leuks te gaan doen in plaats van trainen. Ik heb niet altijd zin in trainen, zeker niet als ik vermoeid ben. Daarnaast heb ik relatief weinig tijd. Ik beleef het geheel dan ook als een ware amateur. Ik ben bijvoorbeeld wars van sponsoring – ik ben degene die deze hobby wil beoefenen, dus ik betaal er ook voor – en wil mijn dagactiviteiten niet aanpassen aan mijn hobby. Een echte topatleet zal ik daarom nooit worden, maar daar heb ik vrede mee. Ik vind mijn sociale leven daarnaast veel te leuk om aan de kant te schuiven, zoals veel andere atleten dat wel doen. Dat wil zeggen dat ik gewoon naar feestjes ga en discotheken en cafés bezoek. Lopen is belangrijk, maar blijft toch een bijzaak waar mijn sociale leven niet te veel onder mag lijden.

Ultralopen is een mentale kwestie naar mijn mening. Het tweede deel van een honderd kilometer overleven, heeft toch vooral te maken met mentaliteit. Dat wil overigens niet zeggen dat men ongetraind aan zo’n uitdaging kan beginnen. De basisconditie dient extreem goed te zijn. Met verstand lopen is bovenal belangrijk. Afgelopen zaterdag werd er door vele atleten veel te snel gestart. Ik maakte me er in het verleden ook zo vaak schuldig aan. Ik ben met de man met de hamer inmiddels te vaak tegengekomen en deel m’n race tegenwoordig meer uitgebalanceerd in dan jaren geleden. Dit is simpelweg discipline. Een tweede component van het verzamelbegrip discipline is het leveren van een gevecht tegen jezelf. Het is van cruciaal belang om in beweging te blijven om te voorkomen dat je helemaal vastloopt. Het is eenzaam knokken, eerlijker kan het bijna niet zijn. Wellicht dat het te maken heeft gehad met m’n jeugd – dit weet ik eigenlijk zeker –, maar ik ben een eenling die geleerd heeft om het gevecht toch vooral zelf te leveren. Geef nooit anderen of de situatie de schuld, maar ga gewoon door hoe moeilijk het ook is. Dat is voor mezelf overigens een geruststellende gedachte; ik teer voor een deel op het idee dat ik het alleen afkan. Het is natuurlijk altijd moeilijk oordelen over dit soort dingen, maar ik weet bijna zeker dat ultralopers in het algemeen veel dieper kunnen gaan dan anderen. Daarbij mag de gezondheid overigens nooit in gevaar komen. Dat laatste is ook een kwestie van zelfkennis: weten wat je lichaam wel of niet kan.

Het idee dat ik met gemak 100 kilometer kan lopen is pure waanzin; het is voor mij een enorme opgave, waar ik mezelf helemaal in kan verliezen. Het niet alleen zo dat ik fysiek alles geef, maar ik stop m’n hele ziel in een race. Het kan dan ook gebeuren dat ik soms even emotioneel word tijdens een race, waar ik me niet voor schaam. Vooral als ik besef dat het gaat lukken, zoals afgelopen zaterdag. Een heleboel mensen en ook vrienden lijken niet te begrijpen wat het allemaal inhoudt. Je kunt mensen ook moeilijk uitleggen dat de wedstrijd eigenlijk pas begint op het moment dat je helemaal stuk gaat. Dat is niet het moment om te stoppen, maar een startschot om te beginnen met het gevecht tegen jezelf. ‘Toon nou eens even karakter’, is een gedachte die dan door m’n hoofd speelt. Daarom heeft de sport de naam ‘ultra’ gekregen. Het is die kenmerkende fase in de wedstrijd waarvan ultralopers weten, dat het overgrote deel van de normale mensheid deze strijd simpelweg niet aan kan gaan. En er valt dan behoorlijk wat van je af, zoals Henk Noor afgelopen zaterdag samenvatte, toen ik net was gefinisht.

Terug naar de voorbereiding. De lange duurlopen braken mij zoals wel vaker op. Het is allemaal te technisch om dat hier uit te leggen, maar het komt erop neer dat ik lichamelijk wat beperkingen heb. Ik heb problemen met het zogenaamde SI gewricht en de lage rug aan de rechterkant. Een zenuw vanuit de rug naar het rechterbeen functioneert soms niet goed, waardoor ik tijdens lange duurlopen het gevoel heb dat het rechterbeen van chocolade is gemaakt. Ik doe oefeningen om de spieren in de lage rug te versterken, maar wellicht te weinig. Na een periode van lange duurlopen begint de rechterlies te irriteren en zit er een zeurende pijn in de onderrug. In 2013 liep ik tijdens de 60 van Texel helemaal vast; het rechterbeen wilde gewoon niet meer, het sleepte maar een beetje mee. Pakweg twee weken voor de Run begon het probleem zich weer voor te doen. Het maakte me onzeker. Ik besloot de vorm een week voor de wedstrijd te testen door een halve marathon te lopen in Pijnacker. Het doel was om er met relatief gemak naar een tijd van 1 uur en 20 minuten te lopen. Maar na acht kilometer liep het rechterbeen helemaal vast en was de irritatie in de lage rug aanwezig als nooit tevoren. De week in aanloop naar Winschoten werd er een van grote onzekerheid: zou ik wel in staat zijn om te kunnen finishen? Ik vegeteerde ’s avonds op de bank in de hoop nog wat te herstellen. Niet starten was geen optie. Het was al met al niet de allerbeste voorbereidingsweek die je je kunt voorstellen. Ik werd gelukkig gesteund door advies en mentale support van een aantal vrienden uit Leiden, die tevens helemaal naar Winschoten zouden afreizen om deel te nemen aan de estafette. Mijn dank was groot voor hun belangstelling en ondersteuning.

Dan nu naar het wedstrijdweekend zelf. Ter ontspanning verbleef ik zoals altijd in een hotel. De avond vooraf ben ik zoals gebruikelijk uit eten gegaan. Ik had een eetafspraak, en aansluitend dronk ik nog een glas whisky in het plaatselijke café. Simpelweg ter ontspanning. Helaas werd de nacht gebroken door een loos brandalarm in het hotel. Na het gebruikelijke overgeven was ik op tijd in de sporthal. Ter ontspanning maakte ik nog een praatje met Jan Muller, Robert Boersma en enkele anderen. Ik schudde nog even de hand met een van m’n hardloophelden, namelijk Ralf Preibisch. ‘Je krijgt een kwartier voorsprong.’, grapte hij nog, refererend aan het feit dat de 50 kilometer wat later van start ging. Met de laatste succeswensen van de estafettelopers van studenten hardloopvereniging ging ik om tien uur op pad, samen met pakweg 100 andere atleten.

Bewust van m’n lichamelijke beperkingen startte ik heel rustig. Zo rustig dat ik een tempo achter de eerste vrouw zocht. ‘Het gebeurt allemaal tijdens ronde zes en zeven’, had ik nog meegegeven aan een vriendin die de wedstrijd op afstand volgde. Het liep soepel. Het doel was om zo lang mogelijk pijnvrij te lopen, hopende dat de zenuw naar het rechterbeen zou blijven functioneren. Het werd wel weer heel snel warm. De doorbrekende zon, die nog nooit verloren heeft en zich alleen met respect laat behandelen, kondigde een slagveld aan. En dat werd het. Ik verbaasde me tijdens de derde ronde al dat sommige atleten toch kozen voor de moeilijke weg van de versnelling. Daar verbaas ik me overigens nog steeds over. ‘Verstandig blijven’, was het devies. Langs de kant kreeg ik mentale ondersteuning van Jan, Bart, Monique, Ivo en Chris van de hardloopvereniging. Henk Noor hield me zoals altijd op de hoogte van mijn positie in de wedstrijd. Hij was tevens in staat om met een handgebaar duidelijk te maken hoe er gelopen moest worden: vooral rustig blijven. Het lukte me mentaal ook behoorlijk snel om rustig te worden. Je moet er namelijk na twee rondes vooral niet aan denken dat je nog 80 kilometer moet lopen. ‘De komende drie rondes in alle rust lopen, daarna begint de wedstrijd’ – gedachtes en trucjes maken het spel dragelijk, evenals het publiek dat soms hartverwarmend was.

Vele atleten kozen voor een groep. Aan de kop van de wedstrijd schakelden diverse toppers zichzelf uit door het spoor van de Tsjech Daniel Oralek te kiezen. Dom. Maar er waren meer groepjes. En ik kreeg toch de indruk dat een aantal atleten in die groepjes elkaar het tempo aan het opleggen waren. Daarom liever alleen en het eigen tempo. Ik voelde gedurende de eerste helft van de wedstrijd dat rondetijden tussen de 47 en 49 minuten het beste waren in mijn toestand. Ik was nog fris na pakweg vijftig kilometer. Robert Boersma zag dat het goed ging en moedigde me aan, keer op keer. ‘Er zijn er een aantal aan het versnellen, ondanks de warmte…’, gaf ik hem aan het einde van de vierde of vijfde ronde nog aan, ‘…en die gaan omvallen, en ik misschien zelf ook wel.’ Robert wilde er niet van weten en ondersteunde mijn geloof in een goede klassering. Ze vielen inderdaad met bosjes, een voor een slachtoffer van de zon of geldingsdrang. De een stond geparkeerd, de ander stapte uit. Zo kwam ik onbewust de top tien binnen.

Na 50 kilometer stond er 3 uur en 58 minuten op de klok. Alles ging volgens plan. Rustig blijven. Blijven eten en drinken. Het was een mix van gelletjes, cola, sinas, bouillon, rozijnen en water – heel veel water. Het was soms bijna niet aan te drinken. Daarnaast brachten sponzen, die in grote hoeveelheden door kinderen werden aangereikt, de nodige verkoeling. Het bleef ook koel in het hoofd. Ik begon bloed te ruiken, maar was toch enigszins verbaasd dat ik na de doorkomst van 70 kilometer op een derde plaats overall lag. De kilometertijden begonnen wel wat op te lopen, maar lagen nog royaal beneden de vijf minuten. Het werd vechten om die tijden te handhaven, maar het lukte tot pakweg 80 kilometer. Na zes uur en een minuut was ik langs het punt van 75 kilometer gelopen. Het gaf een mentale boost, en hoewel er wat kortstondige dipjes waren, had ik de man met de hamer nog niet gezien.

De negende ronde begon ik het zwaar te krijgen. Het rechterbeen wilde niet meer, maar ik troostte mezelf met het feit dat enig verval nu ook mocht gaan plaatsvinden. De motor begon leeg te raken. Enige irritatie over een opmerking met betrekking tot mijn handschoentjes, deed me realiseren dat ik tevens concentratie aan het verliezen was. Het was knokken, een lelijk gevecht zoals altijd in deze laatste fase van de strijd. Eten kon ik niet meer, daar was ik te misselijk voor. Ik werd slechts op de been gehouden door de gedachte dat ik mezelf naar het podium kon lopen. Niet alleen om zilver op te halen achter Bram van Rijswijk met betrekking tot het Nederlands kampioenschap, maar ook een derde plaats overall , want zoveel Nederlanders hebben er niet op dat podium gestaan. Het maakte me soms even emotioneel – de gedachte dat het weer zou gaan lukken. Ik had me weten te handhaven in de zware omstandigheden. Ik had het hittespook bestreden door te blijven drinken en rustig te blijven.

Normaal gesproken is de laatste ronde een toegift. Dit keer niet. Ik ging kapot, keer op keer. Ik wist gewoon even niet hoe ik het mentaal moest gaan bolwerken. Ik deelde de tien kilometer steeds opnieuw in; in parten van twee kilometer, dan weer in twee delen, dan weer aftellen vanaf vijf kilometer om toch weer te kiezen voor een mentale benadering per kilometer. Het werd een spelletje waarbij ik de spelregels steeds moest aanpassen om te kunnen winnen. Ik verloor. Want 59 minuten is achteraf beschouwd gewoon veel te langzaam. Een paar keer ging ik liggen. De druk op de benen was nu zo groot, dat het leek of ze gingen ontploffen. Het tweede deel van het parcours was gezien de aanwezigheid van meer publiek en versiering mentaal gelukkig beter te belopen dan de eerste zes kilometer. De lange weg na ruim zeven kilometer met keerpunt aan het einde ervoer ik in tegenstelling tot veel andere atleten juist als prettig. Bij het verlaten van deze langwerpige ‘u’ was er nog steeds geen concurrent die weg ingeslagen en besefte ik dat de derde plaats en het zilver was veiliggesteld. Toch ging ik nog een keer stuk. Na ruim 99 kilometer ging ik weer even liggen, de tranen stonden me nader dan het lachen. De fysieke malaise woog heel even zwaarder dan de blijdschap over het behaalde resultaat.

De opluchting op het laatste stuk richting finish was groot geweest. Ik was helemaal op. Ik kan haast niet beschrijven hoe heerlijk het was om plaats te nemen op een stoeltje en te concluderen dat ik weer een 100 kilometer had voltooid. Even beheerste ik de emoties niet. Van pure vermoeidheid en opluchting tegelijk sprongen de tranen even m’n ogen op het moment dat Henk Noor kwam feliciteren. Jan Muller, die de strijd helaas halverwege moest staken om vervolgens de lopers aan te gaan moedigen, was er ook als de kippen bij. Monique, Chris, Bart, Ivo en Jan – die met z’n vijven overigens een uitstekend resultaat hebben behaald op de estafette! – kwamen me eveneens feliciteren. Totaal gebroken lukte het toch om lachend op de foto te staan. Tegen alle supporters en andere toeschouwers en deelnemers, en niet te vergeten de geweldige organisatie, kan ik alleen maar zeggen: bedankt! Het was fantastisch.

Retrospectief ben ik zeer tevreden. De laatste ronde verloor ik trouwens wel erg veel. Ik ben me ook bewust van het feit dat het geen toptijd is. Maar na zoveel onzekerheid ten aanzien van die eerder beschreven blessure, kan ik niet anders dan tevreden zijn. Bram van Rijswijk mag zich de terechte kampioen noemen. Hij liep een onvoorstelbaar sterke race en bracht Daniel Oralek nog even aan het wankelen. Mijn felicitaties gaan dan ook nogmaals uit naar Van Rijswijk! Ik hoop volgend jaar weer van de partij te zijn in Winschoten. Dan hoop ik die felbegeerde titel van Nederlands kampioen weer terug te veroveren. Ik ben gelukkig geen eendagsvlieg.


Dave Boone
Reacties: daveboone88(at)gmail.com

 

 
[ top pagina ] - [ Kalender info ] - [1-2-3 Uitslagen ]