28 juni. Om half vier ’s morgens word ik opgehaald om vanuit Assen naar Wedde te rijden. Buiten onweerde het flink en de regen kwam met bakken uit de lucht. Een bijzonder begin van de dag waarop honderd kilometer op het programma stond: de Westerwolde Ultra. De week ervoor waren verschillende evenementen afgelast vanwege de hitte. Als dat hier ook was gebeurd, had ik daar alle begrip voor gehad. Toch ging de ultra door. Ultralopers weten dat je de omstandigheden niet kunt veranderen. Je kunt alleen jezelf aanpassen.
Eigenlijk geldt dat voor mij iedere dag. Bij de start was het nog donker. Voor mij betekende dat vooral veel stemmen, veel beweging en weinig overzicht. Toch voelde ik me meteen welkom. Zonder dat ik iets hoefde te vragen, hielpen verschillende lopers mij op weg. “Met wie ga je lopen?” vroeg iemand. “Vandaag ga ik alleen,” antwoordde ik. “Ik zie wel hoe het loopt.” Dat was ook echt mijn plan.
Ik had een groot deel van het parcours vooraf verkend. Niet om de route uit mijn hoofd te leren, maar zodat ik onderweg meer kon genieten. Natuurlijk is het makkelijker om iemand te volgen als je minder ziet, maar dan kijk ik vooral naar degene voor me. Ik wilde juist het bos beleven, de stilte en de prachtige omgeving.
De omstandigheden waren uitdagend. Zon, schaduw, smalle paadjes, hoog gras en stro op de gemaaide weilanden. Mijn oranje bril ging de hele dag op en af. Wat veel mensen niet zien, is hoeveel energie het kijken mij kost. Door het syndroom van Usher werken mijn ogen en hersenen voortdurend samen om van losse beelden één geheel te maken. Kijk ik ver vooruit, dan zie ik de grote lijnen vaak nog goed. Kijk ik naar beneden om een smal paadje of boomwortels te volgen, dan verdwijnt juist het overzicht. De afwisseling van licht en donker maakte dat die dag extra lastig.
Na uren lopen merkte ik dat mijn ogen vermoeider werden. Af en toe zag ik flitsen en werd mijn zicht waziger. Dat zijn signalen die ik inmiddels herken. Niet omdat mijn ogen ineens slechter worden, maar omdat mijn hersenen overuren draaien om alle informatie te verwerken. Juist daarom liep ik veel stukken bewust alleen. Dat klinkt misschien vreemd, maar het gaf rust. Ik hoefde mijn aandacht niet te verdelen tussen kijken, luisteren en een gesprek voeren. Alle energie kon naar het lopen en het vinden van het pad.

Rond de zeventig kilometer veranderde er iets. Niet mijn benen. In mijn hoofd. Steeds vaker dacht ik aan de terugreis. Had ik dat eigenlijk wel goed afgesproken? Moest Wessel straks lang op mij wachten? Die gedachte bleef terugkomen en maakte de kilometers zwaarder. Onderweg zei ik tegen Johan een medeloper: “Ik denk dat ik bij de post op 82 kilometer stop. Maar misschien loop ik ook wel door.” Op dat moment gebeurde er iets bijzonders. Alleen al door het hardop uit te spreken, viel de spanning van me af. Mijn hoofd werd rustig. Mijn benen voelden ineens weer licht. Alsof ik weer vrij kon lopen.
Bij de verzorgingspost voelde ik me eigenlijk weer prima. Natuurlijk dacht ik nog even: misschien kan ik nog wel verder. Nog één post. Misschien zelfs negentig kilometer. Maar ik deed het niet. Ik zei: “Het is genoeg.” Later vertelde Wessel dat hij het helemaal niet erg had gevonden om op mij te wachten. Misschien had ik dus best verder kunnen lopen. Maar daar ging het niet om. De echte winst ontdekte ik pas een dag later. Natuurlijk was ik moe. Mijn lichaam had hard gewerkt en mijn ogen ook. Maar ik hoefde niet twee dagen uitgepunt op de bank te zitten. Ik kon rustig herstellen, had nog energie voor de dagen erna en kon weer genieten van de gewone dingen.
Dat is misschien wel de belangrijkste les die deze ultra mij gaf. Het gaat niet alleen om vandaag. Het gaat ook om morgen. Leven met het syndroom van Usher betekent voortdurend keuzes maken. Niet alleen tijdens het lopen, maar iedere dag opnieuw. Hoe verdeel ik mijn energie? Wanneer geef ik gas en wanneer neem ik bewust gas terug? Vroeger had ik misschien koste wat kost die honderd kilometer willen halen. Nu weet ik dat de mooiste keuze soms een andere is. ik liep geen honderd kilometer. Ik liep er tweeëntachtig. En toch voelde het alsof ik precies had bereikt waarvoor ik was gekomen. Niet omdat ik de finish haalde. Maar omdat k naar huis ging met een glimlach, trots was op mijn keuze en de dagen daarna nog energie had om weer gewoon te leven. Soms is aanpassen geen opgeven. Soms is stoppen juist winnen.
Eddy Hedemann
