Categorieën
Niet gecategoriseerd

Jaap loopt twee Marathons van Hoorn

Een knal zo hard dat mijn oren er van tuitten. Stomverbaasd kijk ik Lex aan, en dan dringt tot me door dat ik moet gaan lopen. Wat een kanonschot!!

Een knal zo hard dat mijn oren er van tuitten. Stomverbaasd kijk ik Lex aan, en dan dringt tot me door dat ik moet gaan lopen. Wat een kanonschot!!

Hoorn is een soort thuiskomen voor mij, hier heb ik op school gezeten, op het Westfries Lyceum. Ik vraag me af of er nog klasgenoten van me meedoen, en of ik ze zou herkennen. Waarschijnlijk niet. We lopen langs de vaart, onder de poort door met een scherpe bocht naar de dijk, richting Venhuizen.

Vroeger fietste ik langs de provinciale weg naar school. Of ik ging liftend, de fiets achterlatend in Enkhuizen. De dijk werd meer een hoogst enkele keer gebruikt. Als het weer eens warm was en ik zin had om buiten te zijn. Toch ken ik bijna iedere bocht in de dijk nog.

Ook de plaatsjes waar we de dijk verlaten en door het dorp lopen roepen herinneringen op. In Schellinkhout woonde de oma van Elly, mijn vriendinnetje. Hem ken ik ook omdat daar meiden uit de klas woonden, en mensen van de zwemvereniging. In Venhuizen woonde een kameraad wiens vader een boomgaard had, en waar ik vaak werkte om een zakcentje te verdienen.

De wedstrijd wordt zo in twee gesplitst, aan de ene kant is er wat in mijn hoofd gebeurt, wat me stil maakt. Aan de ander kant is er de strijd om de plaatsen. Teveel afleiding heeft een slecht effect op me, ik loop de eerste tien kilometer veel te snel, met een te hoge inspanning. Na 10 kilometer roep ik mezelf tot de orde en dwing me er toe rustiger aan te doen.

Na 14 kilometer staan mijn ouders langs de kant. Ik voel me nu even als de jongen van 12 die met wedstrijdzwemmen aangemoedigd werd door pappa en mamma. Ik ben trots en voel dat het nu goed gaat.

Het is warm, de zon is fel. Ik plens zoveel mogelijk water over me heen. Iemand langs de kant, bij een verzorgingspost roept dat ik me niet te nat moet maken. Volgens mij kan dat niet bij dit weer, tenzij je uitgeput raakt. Zodra het warmer is als een 10 graden gooi ik altijd veel water over me heen. Je gebruikt het om af te koelen, ook als je het weer uitzweet. Nathouden is alleen directer en je kunt er daarnaast ook nog bij drinken. Water wat je over je heen gooit onttrekt geen mineralen aan je lijf. Je kunt gericht je hoofd koelen. Kortom ik ben een groot voorstander van het waterballet.

Op 20 kilometer wordt ik voorbijgesneld door Sander Groot. Hij heeft ook in het begin met me meegelopen, maar heeft het slimmer aangepakt. Hij is langzamer gaan lopen en heeft nu over. Ik laat hem gaan, besluit me niet kapot te bijten.

Na Venhuizen draaien we weer de dijk op en kan ik het achterveld inkijken. Ik loop nu prettig ontspannen. Mijn achillespees doet zeer, maar ik weet dat de prijs daarvoor pas over de finish betaald hoeft te worden.

Mensen voor mij storten in, hebben moeite met de afstand of de warmte. Het gooien met water loont, want ik stort niet in en loop met gelijkmatige snelheid door. Op het industrie terrein Hoorn ‘80 haal ik Erik van der Velden in. Hij heeft kramp. Onvoldoende verzorging denk ik bij mezelf. De warmte eist zijn tol.

Op weg naar de finish voel ik mijn achillespees steken. Ik weet dat de prijs hoog zal zijn. Aangekomen feliciteren lopers elkaar. Simon Lucket feliciteert me en neemt me mee, op sleeptouw, want ik strompel. Lopen lukt niet meer, denken ook niet. Eerst denk ik dat ik 10e ben, later blijk ik 6e of 7e te zijn. De zon heeft mijn huid laten gloeien, Simon was 3e, in 2.53, een PR.

In de kleedkamer praat ik nog even met Cees Verhagen en Rut Zoutman. Ik weet weer waarom lopen zo leuk is, maar ik weet ook weer hoeveel pijn het kan doen. Zij weten daar alles van, allebei op de weg terug na blessureleed.

Ik houd me stil, ik weet dat mijn pees nu pijn doet, maar dat ik over 5 dagen weer een stukje kan lopen en dan gewoon weer op kan bouwen.

Als ik naar de parkeerplaats van de auto over de grote Noord naar huis rij voel ik nog een keer de nostalgie door me heen gaan. Hier woonde Jeanette, het vriendinnetje van Bert, mijn vriend. Ik rommelde een beetje met haar en bracht alles in verlegenheid, haar, Bert en mezelf nog het meest. Ik bedenk dat er dingen zijn die na 35 jaar nog jeuken, en dus veel belangrijker zijn als lopen.

Later in de uitslag kom ik tot mijn verbazing Bert tegen. Goed gelopen. Misschien is lopen toch belangrijker als ik denk.

Jaap Vis
jaapvis provider gmail.com