Elf steden en stapels dorpen

Een verslag van een lange fantastische tocht door het friese landschap.

Het is Vrijdag middag halftwee. De Elfsteden kriebels beginnen nu aardig op te spelen. Eerst even begeleider en loopmaat Cees van der Woude ophalen om vervolgens af te reizen naar Leeuwarden. Het is nog wat vroeg, maar dan hebben we, indien het verkeer meezit, nog wat tijd om de start en finish te verkennen.
En het verkeer zit mee. Al leuterend over van alles en nog wat rijden we prompt verkeerd en kunnen we ook nog even een stukje van het parcours in Bolsward verkennen. Zelfs met de wagen zijn de pijlen prima te zien dus dat geeft vertrouwen. Dan maar binnendoor naar Leeuwarden, ook leuk.
In Leeuwarden nog even naar de stadsgrens, zodat er een klein beetje idee bestaat hoe gefinisht wordt. Terug bij de Kamer van Koophandel blijken we de eersten te zijn, snel gevolgd door Henk Noor met begeleider Jan Ottens. Binnen gekomen blijkt men een complete zaal voor ons gereserveerd te hebben, inclusief koffie, thee en soep dus dat kan alvast niet meer stuk. Tegen zevenen wordt de spanning merkbaar en begint iedereen op zijn manier de boel te regelen. Fiets uitgeladen? Heb je dat kistje nog meegnomen? Niet? O, gelukkig! Tja, dat zijn zo de gesprekken die je opvangt. Ook worden Jochum en Jan voorgesteld die de hele tijd met een wagen op het parkoers zijn om het geheel in goede banen te leiden en assistentie te verlenen als er iemand verdwaalt.
Jan Kooistra spreekt de lopers nog even toe en om zeven uur valt het startschot. Ik druk mijn klokje in en realiseer me dat dat ding vanaf nu heel wat uurtjes te tellen heeft.
Wim Epskamp neemt gelijk de leiding direct gevolgd door Jeffry Oonk, Henk Noor, Ron Theunissen en Lex de Boer. Ik wil niet weer een wedstrijd verknallen en had van te voren besloten op max. 11 per uur te starten. Ik heb al weken last van mijn linker heup, maar die rare blessure doet zich alleen voor als ik wandel. Dat is natuurlijk wel aardig want dat wordt dus doorlopen.
Het gaat eerst richting Sneek. Ik loop eerst in een groepje met Ria Buiten, Cor Westhuis en Johan Vischedijk, maar na een kilometer of vijf ben ik alleen met Cees. Op het eerste stuk wordt er nog af en toe vanaf de kant wat aangemoedigd. Dat houdt echter ook snel op. We lullen weer wat af. Ik vraag mezelf af hoelang we dit volhouden want je moet toch een keer de blaren op je stembanden krijgen. Maar het leidt enorm af en voor we het weten lopen we in Sneek. Bij een tankstation gekomen vraagt Cees of ik een bakkie moet. Mijn eerste gedachte is “ben je gek, we lopen een wedstrijd”. Bij naderinziens kunnen die paar minuten er ook wel bij. Ik heb geen zin om te wachten tot het drinkbaar is en even later loop ik met een bak koffie door Sneek te banjeren. De koffie is nog niet op of we krijgen gezelschap van een fietser die, zo blijkt, de volgende dag aan de estafette meedoet. Hij begeleidt ons tot voorbij IJlst en kan nog mooi een plaatje van ons tweeën schieten. Het begint inmiddels te schemeren en Sloten is in zicht. Dat is plaats drie, nog acht te gaan. Op naar Stavoren. Ik ken die naam alleen uit de geschiedenis en aardrijkskunde boekjes dus ben benieuwd hoe het eruit ziet. Dat dit een illusie is, ben ik al gauw achter want het wordt aarde donker en je ziet geen barst. Het fietspad is van dubieuze kwaliteit dus ga ik maar op de weg lopen. Bij een bushokje zit Jeffey met vriendin Marleen. Het gaat niet en hij wacht om opgepikt te worden.
Bij Nijemirdum is het net of de wereld ophoudt. Cees suggereert dat we uit moeten kijken om niet van de aarde af te donderen, maar gelukkig zien we in de verte toch nog ergens licht branden. Na Aldemirdum moeten we links en ik begin me af te vragen waar dat dan wel zou moeten zijn. Na zo’n anderhalve kilometer begin ik toch te twijfelen en we raadplegen de routebeschrijving. Toch nog maar even door lopen. Ah! een paddestoel, Stavoren rechtdoor 13 km, ja dertien kilometer dat stond ook op de route beschrijving maar dat was twee kilometer terug. We moeten naar links, richting IJsselmeer. De twijfel slaat toe, toch nog maar even recht door, dat gaat per slot van rekening richting Stavoren. Ik begin steeds meer twijfels te krijgen en bij de volgende wegwijzer gaan we links richting IJsselmeer, dan maar drie km omlopen, waar hebben we het over op de tweehonderd. We zitten dan wel weer op de goede route. Gelukkig een juiste keuze. En na het zien van de eerste pijl gaat de fiets aan de kant en worden de bananen, koeken en bouillon uit de tas gehaald om dit heuglijke feit te vieren. In Stavoren aangekomen is het dorp in diepe rust, er gebeurt werkelijk helemaal niets. Wonen er eigenlijk wel mensen? Het lijkt net een museum.. Even verder blijkt er in ieder geval een kroeg te zijn die nog open is. Een aantal jongelui komt net naar buiten en knipperen even met hun ogen. Het dringt langzaam tot hen door dat ze welliswaar veel te veel gezopen hebben maar dat die vent met dat startnummer er echt loopt. De slimste vraagt “wrom llloop jeij zzo harrd” Zou jij ook moeten doen, dan lul je niet zo beroerd, roep ik. Z’n maat begint mee te lopen, maar heeft de hele breedte van de straat nodig en geeft het gauw op.
Van Stavoren gaat het richting Hindeloopen, het is nog steeds aardedonker en het is dus totaal oninteressant waar je zit. Wat wel knap irritant is zijn de muggen, nou waren die er voor Stavoren ook al maar nu worden het hele zwermen. Als ze linea recta je slokdarm invliegen heb je gratis proteïnen, maar in je luchtpijp is een flink probleem. Ik adem dus maar door mijn neus en heb binnen de kortste keren visite in de voorkamer, even snuiten. Zo, die is weg, nou weer een in m’n oog, houden we dat! Cees begint ook al om zich heen te meppen en het geheel is toch wel komisch. Cees krijgt ook last van de slaap en maakt een ongecontroleerde slinger over de weg. Gelukkig is er aan de ene kant een dijk en de andere kant een sloot, dus ver kan hij niet komen. Na een doodsaai donker stuk doemt Hindeloopen op. Gelukkig dat Cees zegt dat dit het dorp is, want voor ik mijn klokje ingedrukt heb zijn we alweer op weg naar Workum.
Richting Workum begint het te dagen en ik begin het nu wat moeilijker te krijgen. Nou al? We zitten nog niet eens op tachtig! Daar wordt ik niet echt vrolijk van. Mijn heup houdt het echter goed, ik voel hem wel, maar het wordt nauwelijks erger. Wat wel erger wordt is de vermoeidheid. Na Workum gaan we even zitten. Toch snel weer in de benen richting Bolsward. Dat zou hondervijf kilometer zijn, halverwege. Het gaat echter steeds beroerder en het tempo zakt tot een dramatisch diepte punt. Ik krijg al weer visioenen over niet kunnen finishen en prop er met moeite een banaan in. Flink wat sportdrank erachteraan en een stuk van de inmiddels bekende maggiblokjes. Zo! En nou rustig doormodderen en afwachten wat er gebeurt. Je lijf is een nogal traag apparaat en je weet nooit of er na een half uurtje weer muziek in komt. Even voor Bolsward maak ik een geintje over mijn bejaarden tempo en trek een sprintje. Hola, dat ging soepel. Ik kan weer aardig vooruit. Ik laat het tempo toch maar even iets zakken om niet gelijk weer alle energie op te branden. Cees oppert dat het wel eens met de dageraad te maken kan hebben en daar kan hij best wel eens gelijk in hebben. Bij de JKM stortte ik ook rond die tijd in, alleen kwam ik er toen niet meer uit.
Even voorbij Hichtum zien we in de verte twee enorme doggen op een erf lopen. Ik grap nog dat die daar wel moeten blijven en Cees mompelt dat het hele lieve beestjes zijn als ze slapen. Waarschijnlijk vinden ze ons ook aardig want ze maken aanstalten om naar de weg te lopen. Ik vraag Cees even aan de buitenkant te gaan fietsen en hij antwoordt grijnzend dat ie wel uitkijkt. Op tien meter gekomen besluit de leider dat hij ons bang gaat maken en komt onheilspellend grommend en blaffend de weg op. Cees besluit ook in de aanval te gaan en scheld het beest totaal verrot. Het enige nette woord wat ik opvang is “blijf” maar de rest is volgens mij veel effectiever. Het beest duikt helemaal in elkaar en neemt de benen. Zijn maat houdt het ook maar voor gezien en ik lig in een deuk om deze vertoning. Zo doe je dat dus. Weer wat geleerd.
Met Harlingen in zicht begin ik wat last van mijn linker wreef te krijgen. Dat was niet de afspraak. Ik had last van mijn heup en niet van mijn voet. Ik ga er vanuit dat het tijdelijk is. Drie kilometer verder weet ik wel beter. Tja, dat was niet opgenomen in de planning. Ik zet mijn veters zo los mogelijk en we gaan verder richting Franeker. De pijn wordt echter steeds erger. Het zal me toch niet gebeuren dat ik voor een zere voet moet stoppen! Ik overleg met Cees en besluit m’n veters dan maar heel strak te zetten om die voet zo min mogelijk te laten buigen. Dat helpt een tijdje, maar het begint nu toch wel echt irritant te worden. OK waar zitten we? Honderdvijfendertig kilometer, da’s mooi. Nog maar zeventig. Ik spreek het uit en langzaam dringt het besef tot mij door dat een normaal mens niet eens aan een halve marathon begint met zo’n voet. Toch maar stoppen? Natuurlijk niet. Een normaal mens begint ook niet aan de elfstedentocht. Ik vraag Cees om Jan en Jochum te bellen. Misschien kunnen die een rolletje sporttape versieren. Dan ga ik proberen er nog wat bruikbaars van te maken. Er wordt na wat heen en weer bellen afgesproken aan het begin van St Annaparochie. Dat is nog wel tien kilometer verder, maar als je het snel zegt is het zo voorbij. Even voor St Annaparochie zie ik tot mijn verbazing Lex de Boer lopen, wat zeg ik, wandelen. Lex heeft het even gehad en we lopen hem voorbij. Nu lig ik dus op de derde positie. Weer een extra stimulans om door te lopen. Aan het begin van het dorp geen Jochum. Dan maar doorlopen en een apotheek opzoeken. Midden in de winkelstraat ontwaar ik een drogist en schiet gewapend met een paar euro’s naar binnen. Ik weet niet wat ze daar binnen gedacht hebben om een nogal verfomfaaide loper compleet met startnummer door de zaak te zien schuiven. Maar bij de kassa moet ik gewoon wachten. Buiten heeft Cees al een tuinstoeltje geregeld uit de naastgelegen ijzerzaak. Riant gezeteld, midden tussen het winkelend publiek, kan operatie voet beginnen. Even later komen Jan en Jochum aanrijden, die dus aan het andere begin van het dorp hebben staan wachten. Wordt het nog gezellig ook.
Op naar Oudebildzijl waar het honderdvijftig kilometer punt is. We hebben na de dip bij Bolsward en de problemen met m’n voet uitgerekend dat als we dat punt in zeventien uur halen, ik de rest kan wandelen. Alles wat daarna hardgelopen wordt is puur winst. Oudebildtzijl gaat mooi binnen de zeventien uur dus dat zit snor. Even later halen we Lex weer in die na operatie voet flink uitgelopen is. Dit stuivertje wisselen zou nog een paar maal plaatsvinden. Een paar kilometer na Oudebildzijl begint mijn voet weer op te spelen. Dit wordt niks zo. Ik probeer zo goed mogelijk op te letten hoe en wanneer het zeer doet. Ik onderneem een nieuwe poging om de druk ergens anders te leggen. Ik heb niet voor niets vijftien meter tape gekocht. Dat zullen we gebruiken ook. Deze ingreep blijkt DE oplossing en ik kan weer prima huppelen. Ik zie de laatste vijfenveertig kilometer dan ook met vertrouwen tegemoet.
Richting Raard staat wederom een grote zwarte hond op ons te wachten en Cees suggereert dat het een oudje is , die toch niets doet. Nou wel dus. Ik wil het ook wel eens proberen en begin tegen het beest tekeer te gaan. Als door een stok geslagen keert het arme beest op zijn schreden terug en weer is het dolle pret. Dit moet een keer fout gaan, want straks komen we er een tegen die alleen fries verstaat. Het begint nu ook warm te worden. Verdween de zon eerst nog regelmatig achter een wolk. Nu schijnt hij er lustig op los. Vlak voor Dokkum komt ons een hele parade oude tractoren voorbij waarvan enkel berijders heftig gebarend aangeven dat ze weten waar we mee bezig zijn. Het gebeuren geeft weer een kilometertje afleiding en voor we het weten zijn we ook Dokkum voorbij. Weer komt de tractor parade voorbij en de herkenning begint groter te worden. Een van de berijders is zou enthousiast dat hij helemaal op de linker weghelft raakt en ternauwernood een tegemoetkomende auto kan ontwijken. We zien het gebeuren met een grote grijns aan. Langzaam vorderen we richting Leeuwarden. Enkele kilometers verder staan onze tractor vrienden langs de kant en weer is het zwaaien en duimen omhoog.
Even voor Bartlehiem zie ik Lex wandelen. Als ik hem passeer vertelt hij dat hij last van zijn knie heeft en dat het nu echt op is. We wandelen even samen op, maar ik voel dat ik het tempo erin moet houden. Ik loop verder en bij Bartlehiem maken we nog even wat foto’s. Even verder krijg ik het idee dat er een schep grind in mijn schoen zit. Ik ga nog maar even in de berm zitten om mijn schoen te legen. Niks steentjes, de hele boel staat in de blaren en het behang is van een paar tenen af. Dat voelt wel als steentjes, maar kan je er niet uitschudden. Even doorbijten dus. In Leeuwarden aangekomen heb ik het idee dat we er bijna zijn, maar dat valt vies tegen. We vorderen kilometer voor kilometer op de rondweg, maar zien nog geen kamer van koophandel. Plotseling zie ik de enorme rotonde die er vlak voor ligt. Cees zegt nog dat we een rot eind om moeten lopen omdat die rotonde zo groot is, maar ik kan alleen nog maar in rechte lijnen denken. Tussen het verkeer door. Opgedonderd met die roestbak! Over het gras van de rotonde, scherp langs de fontein en aan de andere kant weer de weg op. Zo doe je dat. Ik loop op de finish af en zie het verlaten plein. Tja, de massa komt vanavond pas als de finish van de estafette plaats vindt. Toch ben ik dolgelukkig als ik onder het doek doorloop, drieentwintig uur en zeventien minuten. Dat had ik honderd kilometer terug absoluut niet voor mogelijk gehouden. Fantastisch wat een tocht, wat een ups en wat een downs. We zijn het er echter allebei over eens dat het een fantastisch gebeuren is geweest.

Tom Hendriks
tom@hendriks.st